»09-05-2009
Nadat een vos mijn kippen ooit verorberd had, werd ik me bewust van de roofdieren in onze buurt. Vorige zomer hoorde ik ’s nachts bij het kampvuur het afgrijselijke gekerm van een eend die zijn laatste adem uitkwaakte.
Met een felle lantaarn ging ik op onderzoek uit. Tussen de stam en de tak van een berkeboompje zag ik opeens twee grote ogen van een bijzonder beestje. Ik schrok geweldig.
Het beestje ook. We stonden beiden stokstijf naar elkaar te kijken. ’Steenmarter!’ dacht ik.
’Mens!’ zal het steenmartertje wel gedacht hebben.
Steeds vaker trof ik verdachte plukjes veren aan tussen de bomen. De roofdieren nemen het over, meende ik. Prachtig natuurlijk om dieren rond het huis te hebben, maar of de brutaalste nou overal de baas moeten wezen? Gelukkig kwamen de fazanten die mij elk jaar bezoeken gewoon terug. Wat wel opviel, ze kwamen steeds dichter bij het huis. Verder van de hoek af waar de kippen en andere gevederde vriendjes aan hun eind waren gekomen. Vorige week bleek er onder het kamerraam een fazantennest te zijn. Tegen het huis aan! Meer dan tien eieren. De fazantenvrouw broedt. Ze is niet bang voor de mens. Ze heeft niet voor niks deze plek uitgezocht. Als je binnen met je hoofd tegen het raam gaat en je kijkt recht naar beneden, dan zie je haar zitten. Ze ziet mij ook. In ruil voor haar vertrouwen in mij, heb ik haar beloofd roofdieren bij haar nest weg te houden.
Hoop dat ze wel begrijpt dat ik er niet de hele tijd met een buks naast kan gaan zitten. Maar ik doe mijn best. Vanmorgen wupte er een beste haas langs. Ik keek de fazantenmoeder vanachter het dubbelglas aan. ’Goed volk’ knipoogden we naar elkaar. Maar we wisten; het zijn niet allemaal donzige haasjes in de wereld.
« terug